|
Tegen de binnenzijden van de koorpijlers zijn aan het einde van de veertiende eeuw figuratieve kraagstenen aangebracht. Ze droegen, net als nu het geval is, beelden van de apostelen. Aan de noordzijde zien we op de kraagstenen van west naar oost: een knielende, | 200 |
|
oudere man met de hand op het hoofd van een knielende, biddende vrouw (k1); eikenloofwerk (k2); een knielende man en een vrouw met bidsnoer en boek, zijn hand om haar schouder (k3); een biddende engel in loofwerk (k4); distelbladwerk (k5); druivenwingerd met druiventrossen (k6) en krullend loofwerk met knoestige takken (k7). De twee westelijke kraagstenen (k1 en k12) zijn met baldakijnen en apostelbeelden afgebeeld op de tekening die Pieter Saenredam in 1632 van de achterzijde van het oksaal maakte, maar ze zijn niet nauwkeurig genoeg getekend om ze met de huidige kraagstenen op die plaats te vergelijken. De twee kraagstenen bevinden zich nog op dezelfde positie als op de zeventiende-eeuwse tekening en zijn na de afbraak van het oksaal in 1866 niet naar de daarna meer voor de hand liggende, meer prominente positie tegen de binnenzijde van de vieringpijlers verplaatst. Een iconografische samenhang tussen de figuratief vormgegeven kraagstenen is evenwel ver te zoeken. Mogelijk is de steen met het oudere echtpaar (k1) te zien als Joachim en Anna, maar dit is geenszins zeker. Bij nadere beschouwing komt het andere echtpaar, waarbij de man de hand over de schouder van de vrouw legt (k3), eerder in aanmerking voor deze duiding. Hier is een welgestelde man met halsketting, hoofddeksel en van een groot ornament voorziene riem uitgebeeld, die zijn arm liefhebbend om zijn vrouw slaat. Joachim en Anna – de ouders van Maria – werden vaak gearmd of in omarming afgebeeld. Anna was een zeer godsvruchtige vrouw en hier is dat benadrukt door haar niet alleen een bijbel, maar ook een bidsnoer in de handen te geven.158 Dat hier geen ouder echtpaar is uitgebeeld zoals vaak gebeurde, hoeft geen | 201 |
|
bezwaar te zijn want de middeleeuwers waren hierin allerminst consequent. Bovendien waren ook Joachim en Anna eens jong. Als de duiding van deze voorstelling juist is, kan ook de eerste kraagsteen wellicht beter worden verklaard. Hier kan de veel oudere Jozef bedoeld zijn, die beschermend de jonge, biddende Maria de hand op het hoofd legt. Jozef kreeg de twaalfjarige, in de tempel opgevoede Maria onder zijn hoede toen zij daar niet langer kon blijven. Wat niet mag worden vergeten, is dat dat schuin boven deze kraagsteen, tegen dezelfde pilaar op de meest prominente plek onder het ‘gedraaide baldakijn’ een groot Mariabeeld werd geplaatst. De nabijheid van haar ouders en haar echtgenoot is dan niet vreemd. | 202 |
| Noten | |
| 158. | De bidsnoer, paternoster, is niet in steen gehouwen, maar bestaat uit houten kralen aan een koord. |
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 200-202
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 200-202, 278